HOME  Archief  Dromen  Lezersliefde   Liefdesaforismen  Links  Nieuws  Perslichten  Publicaties   Wie ben ik ?  

Sint Nicolaas in het Sprookjesbos

 

1 Oktober 2012 is de bundel "Sint Nicolaas in het sprookjesbos" verschenen !!!  (bestellen ?)

In “Sint Nicolaas in het Sprookjesbos” worden alle sprookjes intens beleefd. Het is daarbij ervaringen met Sint Nicolaas delen en bijzondere gebeurtenissen met de Goedheiligman meemaken.
De belevenissen bij onder meer Doornroosje, Assepoester, Hans en Grietje en Sneeuwwitje zijn steeds memorabele gebeurtenissen. Sint Nicolaas is daarbij de trouwe verteller, enthousiaste gids en spitsvondige regisseur. Zijn metgezel volgt de Sint op de voet met vragen, meningen en ondeugende streken.
Ontelbare verrassende en humorvolle voorvallen met Sint Nicolaas en zijn metgezel maken dit boek tot een unieke, onvergetelijke reis in de sprookjeswereld.
De rondgang in het Sprookjesbos bevat niet alleen vele autobiografische invloeden, maar ook verrassende openbaringen in een wereld vol wonderen. De belevenissen vormen een waar genieten voor iedereen, jong of minder jong.
In dit boek laat een openhartige Sint Nicolaas zich pas echt kennen als een betrokken, liefdevolle, creatieve en humorrijke bisschop.
Sint Nicolaas is in de eerste plaats een oprechte kindervriend, vandaar dat met de verkoop van dit boek de Stichting KiKa, Kinderen Kankervrij, wordt gesteund.

Een voorproefje:

 

DE KLEREN VAN DE KEIZER
“We zijn een sprookje vergeten, Jan. Jij gaat soms wel erg snel en dan komen we voorbij een sprookje en zien het niet. Overigens heb ik ook niet goed opgelet. Het ligt dus in elk geval ook aan mij. Eigenlijk is het wel verklaarbaar, dat we een sprookje hebben gemist.”
“Is dat zo, Sint Nicolaas?”
“Ja, we zijn iets onzichtbaars vergeten te zien, Jan.”
“Onzichtbaar zijn wij, Sint Nicolaas.”
“Klopt, Jan, maar we zijn de onzichtbare kleren van de keizer vergeten.”
“Die heb ik niet gezien, beste Sint.”
“Kom, we gaan even iets terug, Jan. Kijk, daar moeten we zijn. Zie je het?”
“Ja, Sint Nicolaas.”
“Hier is het, Jan. Een nieuw sprookje in dit bos. Ken je het verhaal van de kleren van de keizer, Jan?”
“Een beetje, Sint Nicolaas.”
“Luister dan maar eens, dan zorg ik dat het beetje heel wat meer wordt. En let op, Jan, je hoort meer over kleren, dan je er ziet.”
“Sint Nicolaas, ik ben een en al oor …”

HET MEISJE MET DE ZWAVELSTOKJES
Hoor eerst een ijzige wind waaien en daarna betoverende muziek klinken. Zie de stad, waar heel wat lichtjes branden. Wat is dit een aparte belevenis. Ben benieuwd wat er gaat gebeuren. Sneeuw, lichtjes, spanning, … Dan begint het … Zie een lief meisje geknield op de grond. Wat heeft zij het koud. En … wat oogt ze eenzaam. Wat zonde voor dat meisje, dat ze daar zo zit.
“Vindt u dat nu ook zo triest, Sint Nicolaas?”
“Dat meisje geeft een heel trieste indruk, Jan. Luister, het gaat beginnen …”
Sint Nicolaas en ik luisteren naar wat wordt verteld …

Een arm, klein meisje dwaalt door de stad. Dit gebeurt op oudjaarsavond. Het sneeuwt. Het meisje moet van haar ouders zwavelstokjes verkopen. Het arme meisje heeft het heel erg koud. Ze loopt door de straten van de donkere, koude stad. Als ze ergens naar binnen kijkt, ziet ze overal prachtig verlichte kerstbomen. Het meisje heeft honger en dorst. Ook is zij erg moe. Het arme meisje gaat ineengedoken zitten. Oh, wat heeft ze het koud. Het meisje wil zich warmen. Ze steekt een zwavelstokje aan. Even krijgt ze wat licht en een beetje warmte. Het zwavelstokje is snel opgebrand. Ze steekt een tweede zwavelstokje aan. Ziet ze nu een dansende, gebraden gans. Droomt ze?
Het meisje steekt een derde zwavelstokje aan..............

KLEIN DUIMPJE
Een grote boomstronk staat bij de slapende en snurkende reus. Zijn rechterbeen beweegt iets, evenals zijn indrukwekkend reuzenhoofd. De reus beschikt over een imposante, heuvelhoge buik. Zie een jongetje bij de grote boomstronk staan. Het jongetje roept hard de naam van Klein Duimpje in het gat van de boomstronk. En jawel hoor … Wie komt er tevoorschijn …? Juist, Klein Duimpje.
“Als ik nu ook eens Klein Duimpje roep, Sint Nicolaas.”
“Je doet maar, Jan. Maar dat gaat je niet lukken. Je weet toch nog wel dat anderen je niet kunnen horen en zien.”
“Sint Nicolaas, het is maar goed, dat u er bent. De onhoorbaarheid en onzichtbaarheid voor anderen … Even vergeten, Sint Nicolaas. Ik roep me de longen uit het lijf en Klein Duimpje kan het niet horen en u krijgt er oorpijn van.”
Zie een vrouw aankomen. Een jongetje vergezelt haar. Wat is die vrouw dik. Een dik hoofd, dikke armen, dikke benen en … een hele dikke kont. Sint Nicolaas kijkt zeer aandachtig naar de grote reus. Hij kijkt gelukkig niet naar mij. Ga snel naar de hele dikke vrouw. Wat zou ik eens graag in haar achterste knijpen. Wat heeft ze toch een gigantische kont. Doe het. Knijp in haar achterste.
“Tim, dat mag je niet meer doen! Dat weet je.”, zegt de dikke vrouw.
“Ik heb niets gedaan, tante Sandy.”, zegt het jongetje.
“Jawel, ik heb het gevoeld. Je hebt me weer geknepen. Je weet, dat ik het niet leuk vind, als je in mijn billen knijpt.”
“Ik ben het echt niet geweest, tante.”
“Natuurlijk wel, Tim. Er is hier verder niemand.”
Tante Sandy stapt door...........

ASSEPOESTER
Kom bij het graf van de mama van Assepoester. Er brandt een lantaarn op het graf. Ook liggen er bloemen bij de grafsteen. Lees de tekst: “Lieve Moeder, moge uw liefde mij leiden door licht en duisternis.”
Ga het gebouwtje in om het verhaal van Assepoester mee te maken. Wacht even tot de klok op twaalf uur staat. Twee minuten later is het twaalf uur. Ga verder. Kom in het huis van Assepoester. Zie een imposante uil. Een grote speeldoos laat muziek horen. Er zitten heel wat duiven te koeren. De prins zit geknield. Assepoester past het glazen muiltje. Het past! Dit lijkt wel een droom Het leven van Assepoester verandert op slag.
Er staan heel wat bezoekers naar Assepoester en de prins te kijken.
“Sint Nicolaas, Assepoester is wel een verhaal met een grote omwenteling in het leven.”
“Omwentelingen, Jan. Luister maar eens naar hetgeen hier wordt verteld.”
Ik luister naar een heldere stem …

Een lieve mama leeft samen met haar even lieve dochter en man in een gezellig huisje. Op een dag wordt de mama heel ernstig ziek. Vlak voor de mama sterft vraagt ze aan haar lieve dochter of ze altijd goed probeert te zijn voor anderen. De mama licht dit toe. Het is volgens haar zo, dat als je goed voor anderen bent, het leven ook goed voor jezelf is. Als de mama dit heeft gezegd, sterft ze. De lieve dochter blijft met haar papa achter.

Na een tijdje hertrouwt de papa. Zijn nieuwe vrouw is heel anders als zijn eerste echtgenote. Ze is onaardig en heeft twee nare dochters. De stiefmama en de stiefzussen laten de lieve dochter heel hard werken. Ze krijgt geen bed om in te slapen, maar moet op de grond liggen bij de open haard. Bij deze haard ligt veelal stof en as. De lieve dochter wordt hier vuil van en wordt Assepoester genoemd.

TAFELTJE DEK JE, EZELTJE STREK JE
Sint Nicolaas en ik komen in een bijzonder donkere herberg. Zie een knuppel en die gaat meteen tekeer. Ga verder de herberg in. Luister naar het verhaal van wat zich hier afspeelt. Een jongen zit aan een tafeltje. Hij zegt: “Tafeltje … dek je!” De waard van de herberg ziet de jongen aan het tafeltje. Dat meubelstuk kan hij wel gebruiken, want ineens is het tafeltje gedekt. Dat noem ik nu eens toveren. Ik heb dan meteen eten, als ik de spreuk zeg. Hoef dan ook niet te koken.
“Zo’n tafeltje kan ik wel gebruiken, Sint Nicolaas. Heb dan altijd te eten en het lijkt een heerlijk gerecht. Kan ik aan u zo’n tafeltje vragen?”
“Ik zou dat maar niet doen, Jan. Als ik jou dat tovertafeltje geef, is er geen tovertafeltje meer in het Sprookjesbos.”
Sint Nicolaas gaat de herberg uit en ik volg hem. We komen op een plein.
“Wat zijn hier veel mensen, Sint Nicolaas.”
“Klopt, Jan, maar kijk eens daar. Zie je die ezel?”
Een bijzonder mooie ezel staat wel twee meter hoog. De staart van ezel gaat iets omhoog. De ezel balkt en zegt “ia”. Vervolgens werpt de ezel een goudstuk uit zij achterste. Wat heeft die ezel een waardevol kontje.
“Als ik naar de wc ga om te drukken, komt er geen goudstuk uit mijn achterste, Sint Nicolaas.”
“Natuurlijk niet, Jan. Jij bent toch ook geen ezel, ook al doe je soms wat ezelachtig.”
Ik snap de Sint niet zo goed. Wat bedoelt hij nu? Ik … ezelachtig?
Sint Nicolaas en ik staan nog een tijd naar de ezel te kijken. De ezel strekt keer op keer zijn staart en laat vervolgens steeds een goudstuk tevoorschijn komen. Zie een jongetje met wel tien goudstukken. Hoor hem zeggen: “Mama, ik ga voor jou een mooi huis kopen, nu papa niet meer bij ons woont.” Daarop geeft de mama het jongetje een kus. Kijk de mama aan en zie een traan het oog verlaten.
Het jongetje zegt nog meer: “Mama, als ik een huis voor je koop, vraag ik aan Sint Nicolaas een lieve papa.”
Kijk de Sint aan. Hij is even stil en neemt het jongetje nauwkeurig in zich op.
“Gaat dat lukken met een nieuwe papa, Sint Nicolaas?”
“Zeg, Jan, ik kan heel veel regelen, maar niet alles. Een nieuwe papa? Daar moet de mama zelf voor zorgen. Begrijp je dat, Jan?”
“Nee.”, is mijn korte antwoord.
“Luister, Jan, ik kan wel een lieve papa zoeken. Maar … als ik iemand lief vind, is het nog maar de vraag, of de mama daar ook zo over denkt. Smaken verschillen, Jan! Dus papa’s hoeven niet op het verlanglijstje.”
Dan vraag ik aan de Sint, of hij wat wil eten. Na uren hier te zijn, knort mijn maag.
“Sint Nicolaas, ik heb twee stukken peperkoek bij.”
“Heerlijk, een stuk peperkoek. Laat het ons smaken, Jan. Peperkoek lijkt wel wat op pepernoten.” De Sint en ik gaan op een bank zitten, naast een mama en een jongetje. We eten ieder een stuk peperkoek en luisteren naar een mama, die vlakbij ons staat. Zij vertelt het verhaal van het tafeltje en de ezel aan haar zoontje…

HANS EN GRIETJE
Van ver hoor ik: “Knibbel, knabbel, knuistje. Wie knabbelt daar aan mijn huisje?”. Sint Nicolaas en ik komen bij Hans en Grietje.
Zo’n snoephuisje heb ik nog nooit ergens anders gezien. Zo’n bijzonder huisje staat enkel in het Sprookjesbos. Wat een koeken! Wat een grote taarten! Er zijn zelfs twee limonadefonteintjes voor het huisje van de heks.
Ik hoor een vogel op het dak van het huisje tjilpen. Een snelle, zwarte kat komt uit een gat naast de voordeur. Het gezicht van de heks verschijnt aan het raampje van de deur. Veel kinderen willen de kat en de heks laten komen en pakken de kruk van het hek vast. Naast het huisje zie ik Hans, achter dikke tralies, in een hok zitten. Zijn hoofd gaat van links naar rechts en van rechts naar links. Hij kijkt wat angstig en verdrietig. Het lijkt me heel vervelend om altijd achter de tralies gevangen te zitten. Grietje zit voor Hans bij het hok. Ook zij kijkt beslist niet vrolijk. Zij kan Hans nog niet bevrijden.
Ik zie een papa instructies geven aan een jongetje die de kruk van het hek vasthoudt.
“Nu niet, Jochem. Even wachten!”, zegt de papa.
Ineens roept de papa: “Ja, nu!”
Het jongetje drukt de kruk van het hek op en neer.
“Goed gedaan, Jochem.”, is het compliment van de papa.
“Waarom mag dit jongetje zelf niet weten wanneer hij de kruk van de deur beweegt, Sint Nicolaas?”
“Geen idee, Jan. Misschien werkt die man als sergeant in het leger, of is hij leraar in het basisonderwijs.”
“Ik snap het niet, Sint Nicolaas.”
“Jan, ik leg het nog wel eens uit. Overigens hoef je ook niet alles te weten.”
Sint Nicolaas en ik wachten tot het wat rustiger is bij Hans en Grietje. Na een kwartiertje staan er even geen kinderen bij het hek. Ga naar het hek. Pak de kruk vast. Druk deze wat naar beneden. De vogel tjilpt, de zwarte kat laat zich snel even zien en de heks komt traag tevoorschijn. Pak opnieuw de kruk en weer zie ik de kat en de heks. Wat is het fijn dit te mogen doen. De kat en de heks fascineren mij.
Dan hoor ik een kinderstem. Een meisje zegt: “Mama, hoe kan dit nu, de kruk gaat vanzelf bewegen.”
“Zeker een technische storing.”, antwoordt de mama.
Daarop druk ik de kruk nog eens naar beneden. Opnieuw komen de kat en de heks tevoorschijn.
“Wat vreemd.”, hoor ik de mama zeggen.
Ga bij het hek vandaan. Kijk Sint Nicolaas aan.
De Sint schudt het hoofd en zegt: “Jan, je bent aan het spoken. Je weet toch wel, dat je onhoorbaar en onzichtbaar bent? Het is dus geen technische storing, Jan.”
Kijk naar het hek. Zie het meisje de kruk doen bewegen.
“De storing is over, mama!”, roept de kleine meid verheugd uit.
Sint Nicolaas zegt zachtjes in mijn oor: “Jan, de storing is over, maar jij blijft een kind.”
Sint Nicolaas en ik blijven vlakbij het hek staan. We luisteren naar het sprookje, dat de mama vertelt …

ROODKAPJE

“Oh, kijk daar eens, Sint Nicolaas. Daar is Roodkapje. Ze lijkt wel op u, Sint Nicolaas! Vindt u dat ook niet?”
“Zeg, Jan, doe eens even normaal. Roodkapje is een jong meisje en ik een man op leeftijd. Bovendien lijkt niemand op mij, dat moet je nu toch onderhand wel weten, Jan.”
“Maar Sint Nicolaas, ik bedoel de kleur van de kleding. Kijk, u bent in het rood gekleed met uw rode mantel, rode mijter en rode stola. Roodkapje is toch ook in het rood gekleed, Sint Nicolaas? Kijk, ze draagt een rode jurk, een rood kapje en ze heeft rode klompen aan.”
“Oh, als je de kleur van de kleding bedoelt, heb je gelijk, Jan.”
“Wat heeft Roodkapje een mooie, lange, blonde vlecht, Sint Nicolaas. Ze draagt een witte bloes en een mandje met lekkers. Gaan wij daarvan eens proeven?”
“Geen sprake van, Jan. Dat lekkers is voor haar oma.”
“Of voor de grote, boze wolf, Sint Nicolaas? De wolf zit in bed met de witte slaapmuts van oma op. Wat een likkebaardende, stoute wolf, Sint Nicolaas!”
“Jan, zwijg nu eens even. Zie je die mama, met die korte, rode jurk, staan? Zij vertelt aan haar zoontje het sprookje van Roodkapje. Kom, we gaan er wat dichterbij staan om eens goed naar haar te luisteren …”

Roodkapje, die altijd een rood mutsje draagt, woont met haar mama aan de rand van een groot bos. De mama vraagt of Roodkapje een mandje met lekkers naar de zieke oma wil brengen. Roodkapje wil dat heel graag doen. De mama verzoekt Roodkapje om op het pad te blijven, omdat zij anders in het grote bos kan verdwalen.
Roodkapje vertrekt. In het bos komt zij de haar bekende jager tegen. Roodkapje vertelt aan de jager dat zij naar haar zieke oma gaat. De jager raadt Roodkapje aan om op het pad te blijven en hij waarschuwt haar ook voor de wolf die weer in de buurt is.
Roodkapje gaat verder. Ze ziet onderweg vele, mooie bloemen bloeien en zij plukt er wat voor haar oma.
Plotseling springt de wolf voor haar. De wolf is nieuwsgierig waar Roodkapje heengaat. Het lieve meisje zegt dat ze op weg is naar haar oma. De wolf is belangstellend naar haar oma en vraagt waar ze woont. Roodkapje zegt tegen de wolf, dat het huisje van oma midden in het bos staat. De wolf merkt nog op dat verderop, een beetje van het pad, nog veel mooiere bloemen staan, want de wolf moet wat tijd winnen. Hij is namelijk iets van plan …

DOORNROOSJE
Het eerste sprookje dat Sint Nicolaas en ik beleven is Doornroosje.
Ik zie water stromen. Kijk naar boven. Zie een groot kasteel. Klimop groeit tegen de muren van het kasteel. Het lijkt wel of er al heel lang niets gedaan is om de klimop te verwijderen.
Ga op een bank zitten. Geniet van het uitzicht. Zie een poortgebouw met twee bogen. Via de rechterboog kunnen bezoekers om het kasteel heen. Dat is wel een oplossing voor iemand die minder goed ter been is. Sint Nicolaas staat bij de linkerboog op mij te wachten. Hij wenkt. Ga naar hem toe en samen gaan we onder de linkerboog door. Een brede, stenen trap gaan we over. Wat liggen er hier grote stenen!
Halverwege de stenen trap zie ik aan de linkerkant een soldaat tegen een boom zitten slapen. Dit is nu een slapende wachtpost. Zo heeft de wacht houden weinig zin.
Kinderen hoor ik roepen: “Wakker worden!”
Echter, de wachter wordt niet wakker. De slaapkop knikkebolt verder. Wat is die man in een diepe slaap.
Kom bij het kasteel. Zie een mooie, blonde, jonge vrouw in een betoverend kleed liggen. Wat heeft ze lang haar. In de rechterhand heeft ze een zakdoekje vast. Op dat doekje zie ik een bloedvlekje en op de grond, naast haar bed, ligt de beruchte spinspoel.
“Oh, oh.”, zeg ik. “Wat ligt daar een betoverend mooie vrouw! Wat heeft ze een mooi figuur. Zij lijkt wel een prinses, Sint Nicolaas!”
“Klopt, Jan. Zij is inderdaad een prinses, maar wel een die slaapt. Haar naam is Doornroosje. De prinses slaapt honderd jaar.”
“Sint Nicolaas, ik zou haar wel een kusje willen geven.”
“Dat mag niet, Jan. De prinses wacht op een kus van een prins. Zodra een prins haar kust wordt ze wakker.”
“Als ik me dan als prins verkleed?”, vraag ik aan Sint Nicolaas.
“Dat werkt niet, Jan! De prinses merkt heus wel of een echte prins haar kust. Van een nepprins wordt zij niet wakker.”

BETOVERING
Sint Nicolaas staat naast me. Binnen een paar minuten is hij van de hoge sokkel geklommen.
“Nou Sint Nicolaas, gezien uw hoge leeftijd heeft u dat vlot gedaan!”, zeg ik vol waardering tegen hem.
“Zeg Jan, leeftijd speelt geen rol. Het gaat erom hoe jong iemand zich voelt. Welnu, ik voel me heel goed. Ben wel al lang geen twintig jaar meer, maar ben fit. Zo voel ik me, Jan. Dat moet ook wel, als je weet dat ik het elk jaar ontzettend druk heb in de periode van half november tot en met zes december. Snap je dat, Jan?”
“Ja, Sint Nicolaas”, zeg ik wat zachtjes.
“Dan gaan we nu naar het Sprookjesbos, Jan. Opschieten, want ik heb al zo heel erg lang op die hoge sokkel gestaan. Het wordt tijd dat ik eens goed in beweging kom. Alleen … Het is natuurlijk voor de kinderen met hun mama’s, papa’s, oma’s, opa’s en vriendjes toch wel een vreemd zicht, als ze mij daar zien. Het is immers nog geen Sint Nicolaastijd. Kijk, Jan, als de kinderen jou zien, valt ze toch niets op. Alhoewel ..., jij met dat lang, krullend haar, ogen wat opgemaakt, zo’n strikje om, een blauw kostuum aan, een witte sjaal om je nek en ook nog dat lange lijf van jou … Maar Jan, ik val zeker op. Als ik in het Sprookjesbos wandel, denkt iedereen dat ik abuis ben. U bent te vroeg!, gaat zeker een papa opmerken. Van een oma moet ik wellicht horen, dat ik wat erg laat ben. Snap je, Jan, dat wil ik vandaag niet horen!”
“Stopt u dan een watje in de oren.”, merk ik op.
“Nee, Jan, dat doe ik niet. Ik heb een plannetje. We maken ons onzichtbaar. Wat lijkt je, Jan?”
“Ik kan niet toveren, Sint Nicolaas.”
“Zeg, Jan, dat vraag ik toch niet. Laat me eens eventjes nadenken. Hoe gaat dat ook al weer …?”
Even later zijn Sint Nicolaas en ik niet meer te zien en ook niet meer te horen. Het lijkt alsof we van de aardbodem verdwenen zijn.
De Sint vertelt me, dat enkel wij elkaar kunnen horen en zien. We kunnen wel alles om ons heen horen en zien. Alle andere mensen kunnen ons noch horen, noch zien. Sint Nicolaas en ik zijn dus voor anderen onhoorbaar en onzichtbaar. Dat heb ik in mijn hele leven nog nooit meegemaakt! Wat een betovering!

ER WAS EENS …
Op een morgen ben ik heel vroeg wakker. Ga vandaag naar de Efteling. Wil het bekende Sprookjesbos bezoeken. Verheug me al zo lang op deze uitstap. Kijk er al weken naar uit. Heb de dagen afgeteld en sinds gisteren de uren.
Vandaag is dan de grote dag. Spring mijn bed uit. Ga vlug onder de douche. Kleed me snel aan. Probeer wat te eten. Echter, krijg bijna niets door mijn keel. Drink een glas sinaasappelsap leeg. Met moeite eet ik twee rijstwafels met appelstroop. Dat is goed voor mijn lichaam, omdat in de stroop ijzer zit. Dat heeft mijn mama me ooit eens verteld. Poets mijn tanden. Neem in een tasje twee appels, twee mandarijnen en twee pakjes sap mee. Ook doe ik nog twee stukken peperkoek in het tasje. Ga snel de deur uit. Ben op weg naar de Efteling.
Wat later kom ik in de Efteling aan. Doordat ik heel vroeg van huis ben vertrokken, mag ik nog niet naar binnen. Nog een half uur wachten. Jammer dat de klok zo traag tikt. Kijk om me heen. Ben hier absoluut niet alleen. Heel veel meisjes en jongens, mama’s en papa’s en oma’s en opa’s staan te wachten. Ook zie ik enkele groepen scouts uit Nederland en Vlaanderen.
Kijk naar de klok en denk: “Schiet jij nu eens op!”
Hoor dat hier mensen staan, die al meer als twee uren met de auto hebben gereden om bij de Efteling te komen. Enkele kinderen praten over sprookjes. Ik denk daar aan.
Ineens hoor ik luidruchtig gejuich. De wachtende bezoekers van de Efteling mogen naar binnen gaan. Wat een stroom mensen! Ik laat me in de stroom meedrijven. Voor me loopt een grote, dikke meneer. Die moet zeker veel meer als honderd kilogram wegen. Naast de grote, dikke meneer stapt een klein, mager vrouwtje. De grote, dikke meneer en het kleine, magere vrouwtje houden elkaar vast. Hand in hand stappen de twee traag verder. Ik volg. “Stap eens flink door.”, zeg ik tegen mezelf. Echter, dat gaat niet. Er zijn immers zo veel mensen die allemaal snel naar binnen willen.
Na zo’n tien minuten langzaam stappen, kom ik bij de Sint Nicolaasplaets. Ga de boog onderdoor. Zie Sint Nicolaas staan op een hoge sokkel. Kijk lang naar Sint Nicolaas. Wat is dit een mooi beeld. Het Sint Nicolaasbeeld is echt schitterend, zo kleurrijk. Sint Nicolaas heeft wel een lange, witte baard, zeg! Hij wijst met een vinger. Wijst de Sint nu echt naar mij?

HOME